Kruipende insecten

Kakkerlakken

Kruipende insecten:De kakkerlakken (Blattodea) vormen een orde van de insecten, die oppervlakkig enigszins lijken op kevers maar hiervan toch sterk verschillen, onder andere door het ontbreken van een volledige gedaanteverwisseling.
Bidsprinkhanen en termieten zijn sterker verwant aan de kakkerlakken dan andere insectenorden.
Deze drie groepen behoren tot de superorde Dictyoptera.
Er zijn 4690 soorten kakkerlakken beschreven, waarvan er slechts een twintigtal wel eens als plaag kunnen voorkomen.

De lengte van diverse soorten kakkerlakken varieert van minder dan een centimeter tot wel 6 à 8 cm voor bepaalde reuzensoorten.
In Nederland komen in huizen de Duitse kakkerlak en de Amerikaanse kakkerlak nog wel eens voor als plaag.
In Nederlandse bossen vindt men 5 soorten uit de familie Blatellidae waarvan 4 oorspronkelijk inheems voorkomen en zijn ondergebracht in het West-Palearctische geslacht Ectobius: de heidekakkerlak (Ectobius panzeri), de boskakkerlak (Ectobius sylvestris), de bleke kakkerlak (Ectobius pallidus), en de noordse kakkerlak (Ectobius lapponicus).
Deze soorten van kruipende insecten leven vrijwel uitsluitend in de bladstrooisellaag van kruidrijke bermen en bosranden.
De vijfde soort, de Duitse kakkerlak (Blattella germanica), is al ruim 150 jaar in Nederland te vinden en wordt als ingeburgerd beschouwd.
Deze laatste niet-vliegende soort is vooral binnenshuis te vinden en bij geschikte, droge weersomstandigheden ook in de natuur.

Kakkerlakken (kruipende insecten) hebben een op de rug gezien eironde en verticaal afgeplatte lichaamsvorm en zijn meestal goed gecamoufleerd, meestal bruin tot zwart.
Sommige tropische soorten zijn meer bont gekleurd zoals rood en geel, of ook wel groen.
Ze kunnen vaak zeer snel lopen en vele soorten kunnen vliegen.
Kakkerlakken zijn alleseters.
Sommige soorten kunnen tien tot veertig dagen zonder eten.

Er is bekend dat ze elkaars geursignalen oppikken en hierop reageren, al is dit niet te vergelijken met sociale insecten zoals mieren.
De lange voelsprieten zijn ook bij een kakkerlak in rust meestal voortdurend in beweging.

Kakkerlakken hebben een snelle voortplanting.
De hoeveelheid kakkerlakken in een eipakketje is soortspecifiek.
De snelheid van ontwikkeling hangt af van de omgeving, vooral de temperatuur en het voedselaanbod: het voorkomen van kakkerlakken in een huis kan een teken zijn van te wensen overlatende hygiëne, zoals rondslingerende etensresten.
Een vrouwelijke kakkerlak draagt ongeveer dertig kakkerlakken in een eipakket die na 3 à 5 weken van het lichaam worden afgezet.
Hoewel kakkerlakken zelf voor de mens onschadelijk zijn, kunnen ze bacteriën en ziektes overbrengen door van voedsel te eten, er hun behoefte op te doen of er overheen te lopen.

Exoten zoals de Australische kakkerlak en de oosterse kakkerlak of bakkerstor (Blatta orientalis) zijn hier gekomen door transport van handelswaar.
Met name in houtsoorten en kurk kunnen zich grote aantallen eieren bevinden.
Daardoor zijn deze exoten in West-Europa verspreid en houden zich voornamelijk op in broeikassen, gebouwen en broodbakkerijen.

Kruipende insecten

Mieren

Mieren kruipende insecten zijn een groep van kolonie-vormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera).
Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem.
Omdat mieren vrijwel overal ter wereld voorkomen[1], zijn ze een van de succesvolste diergroepen.
Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, weer andere leven in spleten tussen rotsen.
De zilvermier woont bijvoorbeeld in de woestijn.
De vampiermier is een agressieve soort die in het gebied rond de Amazone voorkomt.
In Zuid-Europa woont de kolfkopmier in galappels.

De kolonie bestaat uit één (of enkele) koningin(nen), werksters (ook allemaal vrouwtjes) en soms jonge mannetjes en maagdelijke koninginnen.
De grootste groep zijn de werksters, die samen de werktaken verdelen.
Er zijn onder andere verkenners, voedselverzamelaars, nest-onderhouders, kinderverzorgsters, soldaten, etc.
Wanneer het nest groot genoeg is, wordt een lichting van de opgroeiende larven opgekweekt tot mannetjes en koninginnetjes.
Samen verlaten die het nest vliegend wanneer de tijd daarvoor rijp is.
Dit gebeurt in Nederland vaak op warme dagen na een regenbui.
In de lucht paren de mannetjes met de koninginnetjes, waarna de mannetjes kort daarna sterven en de koninginnen een nieuwe nestplaats zoeken.
Dit kan al vliegend gedaan worden, zodat zelfs in bloembakken 10 meter boven de grond nesten kunnen ontstaan.

Vlooien

Vlooien als kruipende insecten (Siphonaptera, ook wel Aphaniptera) behoren tot de orde van de gevleugelde insecten (Pterygota).[1]
Ze hebben ondanks het feit dat ze tot de gevleugelde insecten behoren nooit vleugels, die zijn ze in de loop van hun evolutie verloren.[bron?]
Alle vlooien zijn gespecialiseerde bloedparasieten van gewervelde dieren.
Sommige soorten bijten ook huisdieren en mensen.
Ze worden hierdoor gezien als een van de belangrijkste plaaginsecten.
Vlooien kunnen alleen leven bij dieren met een lichaamsbeharing zoals zoogdieren of een verenkleed zoals vogels.
De insecten hebben een afgeplatte en sterk aangepaste lichaamsbouw en meestal krachtige springpoten.
De meeste vlooien zijn een tot drie millimeter groot; allemaal zijn ze kleiner dan een centimeter.

Er zijn ongeveer tweeduizend verschillende soorten vlooien beschreven.[2]
In België en Nederland worden iets meer dan 50 soorten gevonden.[3]
Alle vlooien zijn holometabool en kennen een volledige gedaanteverwisseling.
Ze hebben een wormachtige larve die totaal niet op het volwassen insect lijkt.

Vlooien hebben zich gespecialiseerd in het zuigen van het bloed van warmbloedige dieren, dus zoogdieren of vogels.
Andere dieren, zoals amfibieën, reptielen en op het land levende ongewervelden hebben wel te lijden van bloedzuigende vliegen, maar nooit van vlooien.
Het dier waaraan de vlo gebonden is wordt de gastheer genoemd.
Vlooien leven niet permanent op een dier -zoals een aantal luizen- maar komen alleen naar de gastheer om bloed te zuigen.
Ze lijken wat betreft hun levenswijze op teken.
Vlooien zijn echter niet verwant aan teken, die tot de spinachtigen behoren.

De wormachtige larven van vlooien hebben een vaste plaats nodig om zich te kunnen ontwikkelen.
Een nest is hiertoe vaak onontbeerlijk.
De larven hebben namelijk bloed nodig om te kunnen overleven en aangezien de larven zelf niet kunnen zuigen zijn ze afhankelijk van het bloed in de uitwerpselen van de volwassen vlooien.
Dit beperkt ze sterk in hun ontwikkeling: vlooieneitjes of -larven die buiten het nest geraken zullen verhongeren.

In Nederland is de kattenvlo (Ctenocephalides felis) de meest voorkomende soort, deze vlo kan ook bij mensen en honden voorkomen.
De mensenvlo (Pulex irritans) wordt in West-Europa haast niet meer gezien en de hondenvlo (Ctenocephalides canis) nog zelden.
Andere bekende soorten zijn de vogelvlo (Dasypsyllus gallinulae), de rattenvlo (Nosopsyllus fasciatus) en de Indische rattenvlo (Xenopsylla cheopis).
In andere delen van de wereld zijn vlooien een bekende plaag, in Zuid-Afrika bijvoorbeeld zijn mensenvlooien heel gewoon, vooral onder de arme bevolking[bron?].
Allerlei soorten dieren hebben hun eigen vlooien.
In verlaten vogelnesten worden vaak na maanden nog vogelvlooien aangetroffen die wel eens een menselijke bloedmaaltijd gebruiken, maar zich bij de mens op den duur niet kunnen handhaven.

 Plaagdierbestrijding Nederland is een onderdeel van: PBN